
Ketogeen dieet bij PMOS: ketose als therapeutisch instrument bij hormonale disbalans
Een cliënt met PMOS eet al jaren ‘gezond volgens de richtlijn’, slikt metformine en heeft nog steeds een cyclus van veertig tot negentig dagen, acne rond de kaaklijn en hardnekkig buikvet. Voor gezondheidsprofessionals is dit een herkenbaar patroon. De vraag is welke voedingsinterventie ingrijpt op het mechanisme dat de klachten aandrijft: chronische verhoogde insuline. Een ketogeen dieet bij PMOS richt zich precies op dat mechanisme. In de afgelopen twee jaar verschenen drie systematische reviews met meta-analyse die dit onderwerp voor het eerst kwantitatief in beeld brengen. Dit artikel zet de huidige stand van de wetenschap op een rij, laat zien waar de bewijskracht sterk is en waar niet, en vertaalt dat naar keuzes in de spreekkamer.
Samengevat: ketose bij PMOS in vier punten
• Chronische hyperinsulinemie is de motor achter het hormonale beeld bij PMOS. Insuline stimuleert de androgeenproductie in de eierstok en remt tegelijk de aanmaak van SHBG in de lever, waardoor zowel de totale als de vrije androgeenspiegel stijgt.
• Drie systematische reviews met meta-analyse uit 2023 en 2025 laten consistent zien dat een ketogeen dieet bij vrouwen met PMOS het lichaamsgewicht, HOMA-IR, totaal en vrij testosteron en de LH/FSH-ratio verlaagt en SHBG verhoogt.
• De bewijskracht is beperkt door kleine studiepopulaties, korte interventieduur (vier tot vierentwintig weken), veel heterogeniteit en weinig gerandomiseerd onderzoek. De richting van het effect is consistent, de omvang ervan niet.
• Ketose is geen universele interventie bij hormonale klachten. Bij lage energiebeschikbaarheid, hypothalame amenorroe, een eetstoornis in de voorgeschiedenis of een hoge stressbelasting kan koolhydraatbeperking de hormonale as juist verder ontregelen.
Waarom PMOS in de kern een metabole aandoening is
Het polyendocrien metabool ovariumsyndroom (PMOS), de nieuwe medische naam voor PCOS (polycysteus-ovariumsyndroom), is een endocriene aandoening waarbij hyperandrogenisme, een verstoorde of uitblijvende ovulatie en polycysteuze ovaria in wisselende combinatie voorkomen. De ‘cysten’ zijn onrijpe follikels die niet tot eisprong zijn gekomen. PMOS treft zes tot tien procent van de vrouwen in de vruchtbare leeftijd en is daarmee de meest voorkomende endocriene aandoening in deze groep.
Dit is wat er in het kort gebeurt:
Stap 1: insuline stijgt structureel.
Bij het merendeel van de vrouwen met PMOS is de insulinespiegel chronisch verhoogd. Dit wordt doorgaans verklaard als compensatie voor insulineresistentie. Een review in Journal of Endocrinology uit 2025 zet daar een belangrijke nuance bij: de volgorde staat niet vast en hyperinsulinemie kan in een deel van de gevallen juist vooraf gaan aan insulineresistentie in plaats van eruit voort te komen[1]. De auteurs wijzen daarnaast op een zichzelf versterkende lus, waarin hoge androgenen zowel de hyperinsulinemie als de insulineresistentie verergeren.
Stap 2: insuline stuurt de androgeenproductie in de eierstok aan.
Insuline werkt in de theca-cellen van het ovarium als co-gonadotropine. Samen met luteïniserend hormoon (LH) stimuleert het de enzymatische route die androgenen produceert. Meer insuline betekent hier letterlijk meer testosteron en androsteendion.
Stap 3: insuline verlaagt SHBG in de lever.
Sex hormone binding globulin (SHBG) bindt testosteron en houdt het biologisch inactief. Insuline remt de productie ervan in de hepatocyten. Het gevolg is dubbel: er komt meer androgeen bij en een groter deel daarvan is vrij beschikbaar. Dit verklaart waarom acne, hirsutisme en haaruitval kunnen bestaan bij een totaal testosteron dat binnen de referentiewaarden valt.
Stap 4: de hypofyse-as raakt uit ritme.
De verhoogde androgeenspiegel en de verstoorde feedback leiden tot een relatieve toename van LH ten opzichte van follikel stimulerend hormoon (FSH). Follikels rijpen niet uit, de ovulatie blijft uit en het progesteron dat normaal na de eisprong wordt gevormd komt niet op gang.
Wat dit betekent voor de praktijk: wie de androgeenspiegel wil beïnvloeden zonder de insulinespiegel aan te pakken, werkt tegen de stroom in. Iedere interventie die insuline structureel verlaagt, grijpt op vier plekken tegelijk in. Dat is precies wat koolhydraatbeperking doet. Meer over het herkennen van de onderliggende insulineproblematiek lees je in het artikel over insulineresistentie herkennen vóór de diagnose.
Wat laat het onderzoek naar het ketogeen dieet bij PMOS zien?
Tot ongeveer 2023 bestond de literatuur vrijwel uitsluitend uit kleine, ongecontroleerde interventiestudies. Sindsdien verschenen drie systematische reviews met meta-analyse die het beeld voor het eerst kwantificeren. Let op: de studies van vóór de naamswijziging gebruiken nog de term PCOS. In dit artikel wordt omwille van duidelijkheid enkel de nieuwe term PMOS gebruikt.
Metabole uitkomsten
De meest recente meta-analyse verscheen in november 2025 in British Journal of Nutrition. Tosatti en collega's includeerden twaalf klinische trials kwalitatief en elf kwantitatief. De gepoolde gewogen gemiddelde verschillen: lichaamsgewicht −9,57 kg, tailleomtrek −7,75 cm, vetmassa −7,44 kg, BMI −3,45 kg/m², nuchtere glucose −9,65 mg/dl, nuchtere insuline −2,41, HOMA-IR −2,46 en triglyceriden −29,95 mg/dl[2].
Een tweede meta-analyse, van Cannarella en collega's in Reproductive Biology and Endocrinology (2025), includeerde tien studies en vond eveneens significante dalingen van nuchtere glucose, nuchtere insuline, HOMA-IR, totaal cholesterol en triglyceriden. In de vergelijking met een gewoon koolhydraatarm dieet bleef alleen het verschil in HOMA-index en BMI significant overeind[3]. Dat is een relevante nuance: een deel van het effect komt voort uit koolhydraatbeperking op zich, niet specifiek uit ketose.
Hormonale uitkomsten
Hier is het beeld het meest consistent. De meta-analyse van Khalid en collega's in Journal of the Endocrine Society (2023) poolde zeven trials met honderdzeventig vrouwen en vond een daling van de LH/FSH-ratio (d −0,851), een daling van vrij testosteron (d −0,223) en een stijging van SHBG (d 9,086)[4.] De meta-analyse uit 2025 bevestigt dit met absolute waarden: vrij testosteron −0,1 ng/dl, totaal testosteron −7,21 ng/dl, SHBG +15,22 nmol/l en LH −3,97 U/l2.
De vaakst geciteerde afzonderlijke studie blijft die van Paoli en collega's uit 2020. Veertien vrouwen met overgewicht en PMOS volgden twaalf weken een ketogeen mediterraan voedingspatroon. HOMA-IR daalde van 2,85 naar 2,32, totaal testosteron van 47,4 naar 40,7 ng/dl en de LH/FSH-ratio van 2,00 naar 1,15. SHBG steeg van 26,3 naar 34,1 nmol/l en progesteron van 12,2 naar 21,1 ng/dl, wat past bij herstel van ovulatie[5.] Kanttekening: veertien deelneemsters, zonder controlegroep.
Cyclus en vruchtbaarheid
Een retrospectieve analyse van dertig vrouwen met PMOS in de Cleveland Clinic liet zien dat alle vrouwen met een onregelmatige cyclus die minimaal drie maanden ketogeen aten, een regelmatige menstruatie terugkregen, waarvan 92 procent binnen zes maanden. Van de achttien vrouwen met een kinderwens werd 55,6 procent zwanger[6]. Een scoping review in Nutrients (2025) vond over acht studies eveneens significante verbetering van de cyclusregelmaat, binnen 45 dagen tot twaalf weken, plus een daling van Anti-Mülleriaans Hormoon (AMH) en het aantal antrale follikels[7].
Beperkingen van het klinisch onderzoek
Wat nog niet vaststaat in de wetenschap, maar voor de professional wel belangrijk is:
• De korte interventieduur. Vrijwel alle studies liepen vier tot vierentwintig weken. Over wat er na een jaar gebeurt, is nagenoeg niets bekend. In het algemeen is een ketogeen dieet veilig, ook op de langere termijn.
• De onderzoekspopulaties zijn klein. Zeven trials met honderdzeventig vrouwen in de ene meta-analyse, tien overwegend niet-gerandomiseerde studies in de andere.
• De heterogeniteit is hoog. ‘Ketogeen dieet’ varieert in de literatuur van een zeer laagcalorische ketogene therapie tot een normocalorisch vetrijk patroon. Die twee zijn fysiologisch niet uitwisselbaar.
• Er is geen fenotype-specifieke analyse. PMOS kent vier Rotterdam-fenotypes op basis van drie kenmerken (hyperandrogenisme, ovulatiestoornis, polycysteuze ovaria) met verschillende metabole profielen. Geen enkele meta-analyse stratificeert daarnaar. Twee van de drie hyperandrogene fenotypes gaan gepaard met de hoogste mate van insulineresistentie, wat klinisch relevant is voor de behandeling.
• Veiligheidsdata ontbreken grotendeels. Bijwerkingen worden inconsistent gerapporteerd.
Wat dit betekent voor de praktijk: de richting van het effect is over meerdere onafhankelijke reviews consistent en biologisch goed verklaarbaar. De omvang van het effect bij een individuele cliënt is dat niet. Vertel je cliënt over de mechanismen en monitoring, niet over te verwachten getallen.
De vertaling van deze onderzoeksdata naar een individueel behandelplan, inclusief fenotypering, opbouw en monitoring, komt uitgebreid aan bod in de Jaaropleiding Ketogene Metabole Therapie van Ketogeen Instituut Nederland. De opleiding start op 12 oktober 2026. Er zijn nog enkele plekken beschikbaar, dus schrijf je snel in.
Waarom de internationale richtlijn en de metabole praktijk uit elkaar lopen
Wie de stand van de wetenschap serieus neemt, moet ook de richtlijn erbij pakken. Daar ontstaat een spanning die de moeite waard is om expliciet te maken.
De International Evidence-Based Guideline for the Assessment and Management of PMOS (2023) stelt dat er geen bewijs is dat één dieetsamenstelling boven een andere verkozen moet worden voor lichaamsmetingen en metabole, hormonale, reproductieve of psychologische uitkomsten[8]. Daarnaast adviseert de richtlijn om insulineresistentie niet routinematig te meten, omdat de beschikbare insulinebepalingen volgens de opstellers klinisch beperkt relevant zijn.
Beide standpunten zijn verdedigbaar vanuit de methodologie waarmee richtlijnen werken. Ze vragen om gerandomiseerd, gecontroleerd, langlopend onderzoek met harde eindpunten, en dat bestaat voor ketogene voeding bij PMOS nog niet. Tegelijkertijd betekent ‘geen bewijs voor superioriteit’ iets anders dan ‘geen effect’. Het betekent dat de vergelijkende studies met voldoende omvang en duur nog niet zijn gedaan.
Voor de professional zit de winst in het onderscheid. De richtlijn spreekt over populatieniveau en over wat je standaard aanbeveelt. De praktijk werkt met een individuele cliënt bij wie je het onderliggende mechanisme wél in beeld kunt brengen en het effect van een interventie wél kunt volgen. Meten van de insulinerespons is op populatieniveau een zwak screeningsinstrument en in de individuele begeleiding een sterk monitoringsinstrument.
Lean PMOS: geldt dit ook bij een normaal gewicht?
Een groot deel van het interventieonderzoek is gedaan bij vrouwen met overgewicht of obesitas. De vraag die daaruit volgt: is het effect toe te schrijven aan gewichtsverlies of aan de metabole verandering zelf?
Stepto en collega's lieten in 2013 zien dat 75 procent van de slanke vrouwen met PMOS insulineresistent is, gemeten met de euglykemische hyperinsulinemische clamp (de gouden standaard om insulinegevoeligheid te meten), tegenover 95 procent van de vrouwen met PMOS en overgewicht[9]. Insulineresistentie bij PMOS is dus in belangrijke mate intrinsiek en niet louter een gevolg van vetmassa.
De cijfers zijn wel sterk methode-afhankelijk. Een narratieve review uit 2024 laat schattingen zien die uiteenlopen van 83,3 procent bij slanke vrouwen met PMOS volgens de ene methode tot 9,3 procent bij een HOMA-IR-afkapwaarde van 3,15. De auteur concludeert dat alle vrouwen met PMOS getest zouden moeten worden op insulineresistentie, ongeacht gewicht[10]. Een meta-analyse over 73 studies uit 2025 bevestigt dat slanke vrouwen met PMOS metabool gunstiger scoren dan vrouwen met PMOS en obesitas, maar nog altijd ongunstiger dan de algemene bevolking[11].
Wat dit betekent voor de praktijk: een normaal gewicht sluit hyperinsulinemie bij PMOS niet uit. Tegelijk is er bij lean PMOS geen interventieonderzoek naar ketogene voeding beschikbaar. Bij deze groep is de klinische afweging anders: het doel is insuline verlagen zonder een energietekort te creëren. Voldoende eiwit, voldoende totale energie en een geleidelijke opbouw wegen hier zwaarder dan een strakke koolhydraatlimiet.
Hormonale disbalans breder: cyclus en perimenopauze
PMOS is de best onderzochte hormonale toepassing van ketose, maar in de praktijk komen aangrenzende vragen minstens zo vaak langs.
Cyclusveranderingen in de eerste weken
Bij de overstap naar een ketogeen voedingspatroon treden regelmatig tijdelijke cyclusverschuivingen op: een menstruatie die eenmalig uitblijft of juist eerder komt, spotting of een hevigere bloeding. Dit hangt samen met de plotselinge verandering in energiehuishouding en met schommelingen in insuline en leptine, die op hun beurt oestrogeen en progesteron beïnvloeden. Deze veranderingen zijn doorgaans tijdelijk. Aanhoudende amenorroe is dat niet en vraagt om herbeoordeling van de energie-inname en het tempo van gewichtsverlies.
Perimenopauze en postmenopauze: wees eerlijk over wat we niet weten
Hier is de literatuur dun. Er is geen gerandomiseerde trial en geen systematische review naar ketogene of koolhydraatarme voeding bij perimenopauzale vrouwen met hormonale eindpunten. Wat er wel is, zijn enkele kleine, open-label studies bij postmenopauzale vrouwen met hypertensie en obesitas, met cardiometabole uitkomsten zoals bloeddruk, linkerventrikelmassa en urinezuur[12]. Dat zegt niets over vasomotorische klachten, slaap of stemming in de perimenopauze.
De redenering dat insulineresistentie in de perimenopauze toeneemt en dat koolhydraatbeperking daar logisch op aangrijpt, is fysiologisch verdedigbaar. Presenteer die redenering richting cliënten als mechanistische aanname, niet als bewezen effect.
Klaar voor de klinische verdieping?
In de Jaaropleiding Ketogene Metabole Therapie leer je ketogene interventies onderbouwd inzetten bij cliënten met complexe hormonale en metabole uitgangssituaties, inclusief PMOS, schildklierproblematiek en de overgang. Meld je nu aan.
Wanneer is ketose niet de eerste keuze?
Een therapeutisch instrument verdient die naam alleen als je ook weet wanneer je het niet inzet. Bij hormonale klachten gelden vier situaties waarin terughoudendheid op zijn plaats is.
• Lage energiebeschikbaarheid of hypothalame amenorroe. Wanneer de cyclus is uitgebleven door een energietekort, verergert verdere restrictie het probleem. Het onderliggende signaal is schaarste, dus dan is aandacht voor voldoende energievoorziening belangrijk.
• Een eetstoornis in de voorgeschiedenis. Voedingsrestrictie en het tellen van macronutriënten kunnen een terugval uitlokken. Dit weegt zwaarder dan het metabole voordeel.
• Hoge, onbehandelde stressbelasting. Chronisch verhoogd cortisol houdt via gluconeogenese de insulinespiegel op en blokkeert de ketogenese. Verder beperken werkt dan averechts. Zie het artikel over stress als behandelbarrière bij ketose.
• Actieve kinderwens of zwangerschap zonder begeleiding. Herstel van ovulatie kan snel gaan. Bespreek anticonceptie of juist de kinderwens expliciet voordat je start.
Wat kun je als professional doen? Een stappenplan
Stap 1: Breng het fenotype in kaart, niet alleen de diagnose.
Vraag door op cyclusduur, hyperandrogene klachten, gewichtshistorie en familiaire belasting. Een cliënt met het klassieke hyperandrogene fenotype en een cliënt met alleen anovulatie hebben een ander metabool profiel en een andere prognose.
Stap 2: Maak de insulinestatus zichtbaar voordat je start.
Nuchtere insuline, HOMA-IR, de TyG-index of een insuline responscurve geven een uitgangswaarde waarop je later kunt terugvallen. Zonder nulmeting kun je het effect van je interventie niet objectiveren.
Stap 3: Leg SHBG en vrij testosteron naast het totaal testosteron.
Een normale totale testosteronwaarde bij een laag SHBG kan een hoog vrij androgeen maskeren. Juist die vrije fractie verklaart de klachten waar je cliënt mee komt.
Stap 4: Bouw geleidelijk op en houd de energie-inname op peil.
Een abrupte, sterk restrictieve start voegt bij een hormonaal kwetsbaar systeem een stressor toe. Voldoende eiwit en voldoende totale energie zijn belangrijker dan het laagst mogelijke koolhydraatgetal.
Stap 5: Monitor de cyclus als primaire uitkomstmaat.
Cyclusduur, ovulatiesignalen en een progesteronbepaling in de luteale fase zeggen meer over hormonaal herstel dan het gewicht op de weegschaal. Laat de cliënt dit vanaf dag één bijhouden.
Stap 6: Herevalueer na twaalf weken.
De gemiddelde studieduur ligt tussen acht en twaalf weken. Dat is een redelijk moment om te bepalen of je doorgaat, aanpast of overgaat naar een minder strikt koolhydraatarm patroon voor de lange termijn.
Veelgestelde vragen over het ketogeen dieet bij PMOS
Hoe snel herstelt de cyclus op een ketogeen dieet bij PMOS?
In de beschikbare studies wordt verbetering van de cyclusregelmaat gezien binnen 45 dagen tot twaalf weken. In een retrospectieve analyse van dertig vrouwen kreeg 92 procent binnen zes maanden een regelmatige menstruatie terug. Dit betreft kleine, ongecontroleerde onderzoeken, dus individuele variatie is groot.
Werkt het ook bij slanke vrouwen met PMOS?
Er is geen interventieonderzoek naar ketogene voeding specifiek bij lean PMOS. Wel blijkt uit onderzoek dat ongeveer 75 procent van de slanke vrouwen met PMOS insulineresistent is, waardoor het mechanistische aangrijpingspunt ook bij hen aanwezig is. De aanpak vraagt bij deze groep extra aandacht voor voldoende energie-inname.
Is ketose beter dan een gewoon koolhydraatarm dieet bij PMOS?
In de gecontroleerde vergelijkingen binnen de meta-analyse van 2025 bleef alleen het verschil in HOMA-index en BMI significant in het voordeel van de ketogene aanpak. Een deel van het effect is dus toe te schrijven aan koolhydraatbeperking op zich. Voor cliënten die een strikt ketogeen patroon niet volhouden, is een minder strikt koolhydraatarm patroon een verdedigbaar alternatief.
Wat zegt de internationale richtlijn hierover?
De richtlijn uit 2023 stelt dat er geen bewijs is voor superioriteit van één dieetsamenstelling boven een andere bij PMOS. Dat is een uitspraak over het ontbreken van vergelijkend langetermijnonderzoek, niet over het ontbreken van effect.
Werken met ketogene metabole therapie bij hormonale klachten?
De mechanismen in dit artikel, de vertaling van meta-analyses naar een individueel behandelplan en de klinische afweging tussen ketose, koolhydraatbeperking en terughoudendheid vormen een vast onderdeel van de Jaaropleiding Ketogene Metabole Therapie van Ketogeen Instituut Nederland. De opleiding start op 12 oktober 2026. Er zijn nog enkele plekken beschikbaar!
Meer informatie en aanmelden voor de Jaaropleiding Ketogene Metabole Therapie
Dit artikel is gebaseerd op de inhoud van 'Het Keto Health Plan' en de Jaaropleiding Ketogene Metabole Therapie van Ketogeen Instituut Nederland, aangevuld met peer-reviewed literatuur tot en met 2026. De informatie is uitsluitend bedoeld voor gezondheidsprofessionals en vervangt geen individueel medisch advies. Raadpleeg altijd een gekwalificeerde zorgverlener voor patiëntspecifieke toepassingen.
Wetenschappelijke bronnen
1. Houston, E.J., & Templeman, N.M. (2025). Reappraising the relationship between hyperinsulinemia and insulin resistance in PMOS. Journal of Endocrinology, 265(2), e240269. https://doi.org/10.1530/JOE-24-0269
2. Tosatti, J.A.G., Magalhães, F.M.V., & Gomes, K.B. (2025). Effects of the very low-carbohydrate ketogenic diet in women with polycystic ovary syndrome: a systematic review with meta-analysis of clinical trials. British Journal of Nutrition, 135(2), 178-193. https://doi.org/10.1017/S0007114525105692
3. Cannarella, R., Rubulotta, M., Leonardi, A., et al. (2025). Effects of ketogenic diets on polycystic ovary syndrome: a systematic review and meta-analysis. Reproductive Biology and Endocrinology, 23, 74. https://doi.org/10.1186/s12958-025-01411-1
4. Khalid, K., Apparow, S., Mushaddik, I.L., Anuar, A., Rizvi, S.A.A., & Habib, A. (2023). Effects of ketogenic diet on reproductive hormones in women with polycystic ovary syndrome. Journal of the Endocrine Society, 7(10), bvad112. https://doi.org/10.1210/jendso/bvad112
5. Paoli, A., Mancin, L., Giacona, M.C., Bianco, A., & Caprio, M. (2020). Effects of a ketogenic diet in overweight women with polycystic ovary syndrome. Journal of Translational Medicine, 18, 104. https://doi.org/10.1186/s12967-020-02277-0
6. Tsushima, Y., Nachawi, N., Pantalone, K.M., Griebeler, M.L., & Abed Alwahab, U. (2024). Ketogenic diet improves fertility in patients with polycystic ovary syndrome: a brief report. Frontiers in Nutrition, 11, 1395977. https://doi.org/10.3389/fnut.2024.1395977
7. Fleigle, D., Brumitt, J., McCarthy, E., Adelman, T., & Asbell, C. (2025). Polycystic ovary syndrome and the effects of a ketogenic diet: a scoping review. Nutrients, 17(17), 2893. https://doi.org/10.3390/nu17172893
8. Teede, H.J., Tay, C.T., Laven, J., et al. (2023). Recommendations from the 2023 international evidence-based guideline for the assessment and management of polycystic ovary syndrome. Journal of Clinical Endocrinology & Metabolism, 108(10), 2447–2469. https://doi.org/10.1210/clinem/dgad463
9. Stepto, N.K., Cassar, S., Joham, A.E., et al. (2013). Women with polycystic ovary syndrome have intrinsic insulin resistance on euglycaemic-hyperinsulaemic clamp. Human Reproduction, 28(3), 777–784. https://doi.org/10.1093/humrep/des463
10. Elnashar, A.M. (2024). Lean polycystic ovary syndrome: a narrative review. Clinical and Experimental Obstetrics & Gynecology, 51(6), 142. https://doi.org/10.31083/j.ceog5106142
11. Zheng, C., Lin, Y., Zhang, Z., Ye, J., Lin, Y., & Tian, J. (2025). Analyzing and evaluating the metabolic and endocrine characteristics between lean and obese patients with polycystic ovary syndrome: a systematic review and meta-analysis. Frontiers in Endocrinology, 16, 1680685. https://doi.org/10.3389/fendo.2025.1680685
12. Pala, B., Pennazzi, L., Nardoianni, G., et al. (2025). Very low-calorie ketogenic diet reduces central blood pressure and cardiometabolic risk in post-menopausal women with essential hypertension and obesity. Nutrition, Metabolism and Cardiovascular Diseases, 35(4), 103838. https://doi.org/10.1016/j.numecd.2024.103838











